In januari 2009 kwam de Europese Unie, net als in 2006, in een energiecrisis terecht nadat Rusland zijn gastoevoer naar Oekraïne had afgesloten vanwege een prijsconflict. Dit heeft gevolgen gehad voor verschillende lidstaten, omdat het grootste deel van het Russische gas via Oekraïne de EU binnenkomt. Het conflict maakte onze energieafhankelijkheid van andere landen op pijnlijke wijze duidelijk.
In reactie op deze ontwikkelingen deed de Europese Commissie op 6 januari 2009 een dringende oproep om de geschillen bij te leggen en de gastoevoer naar de EU te hervatten. De EU-landen kwamen op 9 januari samen om te spreken over eventuele noodmaatregelen voor landen die nu geen Russisch gas krijgen. Een van de genoemde maatregelen bestond uit het delen van nationale gasreserves met buurlanden.
Op 18 januari bereikten Rusland en Oekraïne een akkoord over de levering van gas. Hoewel de Europese Unie verheugd reageerde op dit nieuws wachtten de lidstaten, na eerdere teleurstellende ervaringen, af of het gas Europa ook daadwerkelijk zou bereiken.
Lange tijd hebben we in Europa energie kunnen produceren uit onze eigen fossiele brandstoffen. De gasbel onder Groningen heeft bijvoorbeeld tientallen jaren in een groot deel van onze energiebehoefte voorzien. Het gestegen energieverbruik en de langzame uitputting van onze eigen voorraden heeft er echter voor gezorgd dat we steeds afhankelijker zijn geworden van buitenlandse energieleveranciers.
In het rapport Wereldenergie vooruitzichten 2008 voorspelde het Internationale Energieagentschap (IEA) dat de wereldwijde energiebehoefte tussen nu en 2030 met 45% zal stijgen. De productie zal naar verwachting minder hard stijgen. Het aanbod is ook onzeker vanwege de corruptie en het gebrek aan democratie in veel van de olieproducerende landen. Verder bemoeien steeds meer regeringen van 'productielanden' zich met de leveringen van gas en olie. Hierdoor krijgen die landen meer macht ten opzichte van afnemende landen als Nederland.
De beschreven wereldsituatie kan voor de EU in de toekomst leiden tot (extreem) hoge energieprijzen en instabiele energieleveringen. Dit kan zorgen voor grote economische tegenspoed, maar ook voor sociale onrust, omdat huishoudens en bedrijven niet meer normaal kunnen functioneren.
Om dit te voorkomen is de Europese Commissie gekomen met een groenboek over energie; een verkennend document waarin de grote lijnen van ons energiebeleid voor de toekomst worden voorgesteld. De speerpunten in het beleid zouden volgens de Commissie moeten zijn:
-
-een stabiele levering van energie
-
-meer gebruik van duurzame energiebronnen
-
-vrije concurrentie op de energiemarkt
Inhoudsopgave van deze pagina:
Nieuws-items bij Veiligstellen van de Europese ...
-
20-02'Stop op Iraanse olie geen probleem voor EU'
-
19-02Geen Iraanse olie naar Britten en Fransen
-
16-02Olieprijzen stijgen na dreiging Iran stopzetten olie-export (en)
-
15-02'Eventueel wegvallen Iraanse olie raakt Rotterdam niet'
-
15-02Iran ontkent stopzetten olie-export naar EU-landen
-
15-02'Iran stopt olie-export naar Nederland'
-
10-02'Gazprom verhoogt export naar Europa'
-
09-02Samenwerking EU-Turkije op gebied van energie brengt wederzijdse voordelen (en)
-
08-02Uitbreiding interne energiemarkt beter voor Europese gasvoorraad dan aanleg nieuwe pijplijn (en)
-
07-02Toespraak eurocommissaris Oettinger over noodzaak investeringen energiemarkt (en)
-
06-02Duitsland, Italië en Roemenië krijgen minder gas vanuit Rusland (en)
-
06-02Geen noodtoestand gas in Europa
-
06-02Gazprom kan niet voldoen aan Europese vraag naar gas (en)
-
04-02Gazprom kan Europese vraag naar gas niet aan
-
04-02Iran staakt export olie naar landen in Europa
-
03-02Scherpe terugval gasleveranties uit Rusland leidt tot déjà vu (en)
-
01-02Wind en zon Sahara zal bijdragen tot energiemix EU (en)
-
01-02Rusland levert minder gas naar EU in verband met koud weer (en)
-
01-02Europees Economisch en Sociaal Comité wil betere integratie van Europese energiemarkt (en)
-
30-01Iranees parlement stelt debat over olie-levering EU uit (en)
De Europese Unie haalt 50% van haar energie van buiten haar grenzen. Naar verwachting zal dit in de komende 15 jaar oplopen tot zo'n 70%. Deze toegenomen afhankelijkheid van het buitenland, plus het feit dat meer landen een beroep zullen doen op de energievoorraden, dwingt de EU om een goed gecoördineerd buitenlands energiebeleid te voeren. Bovendien is het vergroten van het aantal leveranciers een belangrijk middel in het zeker stellen van de energietoevoer. Het wegvallen van een leverancier hoeft in zo'n situatie immers niet te leiden tot het wegvallen van de hele energiebevoorrading.
Gas
De EU haalt circa een kwart van zijn gas bij het staatsbedrijf Gazprom uit Rusland. De Europese Unie maakt zich zorgen om de rol van Gazprom. Het bedrijf, dat in een monopoliepositie verkeert, dreigt de gasleveringen te verleggen als de afname door Europa minder winstgevend wordt. Overnames van andere energiebedrijven door Gazprom worden bovendien met nauwlettendheid gevolgd. Die overnames betekenen namelijk nog minder keus uit gasleveranciers en dus een grotere afhankelijkheid van de overblijvende gasbedrijven.
Binnen de EU is verdeeldheid over de lijn die Europa moet volgen in de onderhandelingen met Rusland. Nieuwe lidstaten hebben - vanwege eerdere conflicten - met name een gebrek aan vertrouwen in afspraken tussen de EU en Rusland. Vooral Polen, Tsjechië en Litouwen zijn voor een hardere toon in de onderhandelingen.
In dit kader is het uitbreiden van de EU richting het oosten een strategische zet. Het toetreden tot de EU van de Russische buren Oekraïne (het voornaamste doorvoerland op het gebied van energie naar de Europese Unie) en Turkije kan zorgen voor een stabielere onderhandelingspositie. Het is voor Rusland in die situatie lastiger om de verschillende belanghebbenden uit elkaar te spelen; die treden immers meer als één blok op. Behalve het uitbreidingsbeleid voert de EU ook een buurlandenbeleid. Zo worden er nauwe banden met Balkanlanden en Mediterrane landen onderhouden.
Een meer directe manier om de energievoorziening veilig te stellen is de aanleg van grote gaspijpleidingen. Vooralsnog loopt alle gastoevoer van Rusland via Oekraïne, een te riskante situatie, zo bleek opnieuw in 2009 (zie hieronder). Om deze reden moet er een nieuwe gaspijpleiding worden aangelegd die vanuit Rusland direct naar Duitsland en Nederland zal lopen. De andere gaspijpleiding moet gas gaan aanvoeren vanuit de centraal-Aziatische landen zonder dat de lijn door Rusland loopt. In april 2008 stemde Turkmenistan toe om Europa 10 miljard kubieke meter gas te leveren uit de eigen export van ongeveer 50 miljard per jaar. Het is nog onduidelijk hoe en wanneer het Turkmeense gas naar Europa gebracht kan worden. Op 8 december 2011 werd de eerste van twee Nord Stream gasleidingen in gebruik genomen. De leidingen transporteren aardgas uit Rusland via de Oostzee naar Europa. De leidingen lopen van Vyborg in Rusland naar het Duitse Lubmin en hebben een capaciteit van 55 miljard m3 gas. Genoeg om ruim 26 miljoen huishoudens van energie te voorzien. Op 29 december 2011 maakte Rusland bekend dat het met Turkije overeen was gekomen om de South Stream gaspijplijn via Turkse nationale wateren richting Europa te laten lopen.
Het Europees Parlement heeft er in september 2007 op aangedrongen in de onderhandelingen over een nieuw Partnerschap- en samenwerkingsovereenkomst met Rusland afspraken te maken over de onderlinge energiebetrekkingen.
Tijd voor actie
In januari 2009 werd opnieuw duidelijk hoe afhankelijk de Europese Unie van Rusland is op het gebied van de voorziening van olie én gas. Door een conflict tussen Rusland en Oekraïne werd de gastoevoer door laatstgenoemd, midden in de winter, een aantal dagen stil gelegd. Naar aanleiding hiervan en op aandringen van het Europees Parlement en de Raad, stelde de Europese Commissie in juli 2009 een voorstel op om de zekerheid van gasbevoorrading van de Europese Unie te vergroten. De bestaande Europese richtlijnen moesten worden herzien, in het licht van de verstoringen die plaatsvonden door het conflict.
In het voorstel van de Commissie werd onder andere de noodzaak van uitbreiding van het aantal gasleveranciers aan de orde gesteld. Verder bespreekt het voorstel solidariteit tussen de lidstaten op het gebied van energievoorziening. In het geval dat een lidstaat door omstandigheden wordt afgesneden van gastoevoer, moeten andere lidstaten te hulp schieten. Verder moeten de lidstaten te allen tijde hun best doen om mogelijke verstoringen van de toevoer voor te zijn en, als dat niet mogelijk is, de consequenties te verzachten. Een aantal concrete voorstellen voor maatregelen zijn:
-
1.Het opstellen van een ´Preventive Action Plan and Emergency Plan´ voor 31 maart 2011. Hierin zullen maatregelen worden opgenomen die de geïdentificeerde risico´s moeten verminderen en de mogelijke impact van een verstoring van de gastoevoer moeten verzachten.
-
2.In geval van verstoring van het grootste gasbevoorradingsnetwerk, moeten andere netwerken dit opvangen en in staat zijn om voor een periode van 60 dagen de maximaal benodigde hoeveelheid gas te leveren.
-
3.Het opstellen van solidariteitsmaatregelen tussen de lidstaten.
-
4.Doorvoerlanden moeten zowel van de gasleverancier als van de ontvanger gas kunnen ontvangen (zogeheten ´reverse flows´)
Reacties van de Parlementaire commissie en de Raad
Over het algemeen werd het voorstel van de Commissie goed ontvangen in de parlementaire commissie voor Industrie, onderzoek en energie en de Raad. Wel kwamen er een aantal op- en aanmerkingen. Zo benadrukte de Raad dat we te maken hebben met veel verschillende actoren op verschillende niveaus, namelijk: de gasleveranciers, de lidstaten, de markt, regionale organisaties en samenwerkingsverbanden en natuurlijk de EU. Hiertussen moet een goede balans worden gevonden: wie is er precies verantwoordelijk voor wat? Verder werd er benadrukt dat de situatie in elk land anders is en dat er bij het opstellen van plannen rekening moet worden gehouden met deze verscheidenheid.
Tijdens het voorzitterschap van Spanje in de eerste helft van 2010 werd nagestreefd om politieke overeenstemming over het onderwerp te bereiken voor het einde van juni 2010. Eind april begonnen de besprekingen tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie, de zogenaamde trialogen. Op 21 september 2010 heeft het Europees Parlement ingestemd met het plan dat het resultaat is van die onderhandelingen.
De Europese Commissie heeft in januari 2011 namens de EU een contract gesloten met de regering van Azerbeidzjan met betrekking tot gasleveranties. Met dit verdrag is een rechtstreekse gaslevering van Azerbeidzjan aan Europa verzekerd. Het gas zal voor een deel door geplande Nabucco-pijplijn gaan lopen.
Olie
De herkomst van onze olietoevoer is de afgelopen jaren steeds meer verschoven richting de Perzische Golf (Saoedi-Arabië, Irak, Iran, etc.). Andere traditionele en betrouwbare leveranciers, zoals de Verenigde Staten, hebben te maken met teruglopende reserves. Het nadelige van deze ontwikkeling is dat de Perzische regio vaak onderhevig is aan allerlei conflicten; denk bijvoorbeeld aan de oorlog in Irak, maar ook aan de oplopende spanning tussen Iran en wereldmachten als de EU en de VS. Hierdoor kan de olietoevoer makkelijk in gevaar komen.
Het belangrijkste dat de Europese lidstaten kunnen doen is het aanhouden van zo veel mogelijk verschillende energiebronnen. Het wegvallen van een bron, door bijvoorbeeld militaire onrust, geeft dan niet direct grote problemen. Daarnaast zou de EU, om de onvoorspelbaarheid van de olieproducerende regimes te verminderen, van producerende landen kunnen eisen dat olie- en gasopbrengsten ten goede komen aan de bevolking. Dit zorgt voor meer sociale rust en uiteindelijk tot meer politieke stabiliteit.
Om de levering van energie veilig te stellen is de Europese Unie sinds de jaren '90 met diverse landen gaan samenwerken; niet alleen met landen die olie of gas produceren, maar juist ook met landen waar de energie doorheen getransporteerd wordt. Zo hoopt de EU minder afhankelijk te worden van een kleine groep leveranciers. Ook zou samenwerking het ontstaan van conflicten moeten voorkomen.
De EU werkt met de volgende landen afzonderlijk samen op het gebied van energievoorziening: Brazilië, China, India, Irak, Noorwegen, Oekraïne, Rusland, Verenigde Staten en Zuid-Afrika.
Energie wordt duurzaam genoemd als het wordt gewonnen uit hernieuwbare (onuitputtelijke) bronnen. Het gebruik van duurzame energie, maar ook energiebesparing, zorgt ervoor dat we minder afhankelijk worden van externe leveranciers. Daarnaast draagt de meeste duurzame energie bij aan het terugdringen van het klimaatprobleem. Op dit moment maken we nog weinig gebruik van duurzame energiebronnen; in Nederland wordt slechts 4% van de gebruikte energie gewonnen uit duurzame bronnen.
In 2001 is op EU-niveau overeengekomen dat dit percentage in 2010 voor de gehele EU moet zijn opgelopen tot 21%. In de huidige trend zal de EU dit doel met 1 of 2 procentpunten mislopen. De Europese Commissie wil daarom de concurrentiepositie van duurzame energieopwekking versterken, zodat dit een groter marktaandeel kan veroveren. In november 2006 spraken de energieministers van de EU-landen bovendien af om meer geld beschikbaar te stellen voor onderzoek en ontwikkeling (R&D) op het gebied van duurzame energie.
De Europese Commissie is van mening dat ook het produceren van kernenergie tot de mogelijkheden moet behoren. De EU kan ook een rol spelen in het debat over de kansen en bedreigingen van kernenergie. Het Europees Parlement vindt dat beslissingen over kernenergie door de lidstaten zelf genomen moeten worden, maar ook dat het onmisbaar is voor waarborging van de energielevering op middellange termijn. Ook benadrukte het Parlement de potentiële rol van kernenergie voor de bescherming van het klimaat. De EU neemt ook deel aan een experiment voor het opwekken van kernfusie: ITER (Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor). Kernfusie levert veel minder kernafval op dan het traditionele kernsplitsen, zoals dat in gewone kerncentrales gebeurt. In november 2006 tekenden zeven partijen (China, de Europese Unie, India, Japan, Rusland, de Verenigde Staten en Zuid-Korea) een overeenkomst om de reactor te gaan bouwen in Marseille.
Het terugdringen van het klimaatprobleem en de veiligstelling van de energielevering in Europa lijkt soms een lastige combinatie. In 2008 presenteerde de Wereld Energieraad een rapport, waarin de energiebedrijven hun zorg uitten over de invloed van strenge Europese klimaatregels op de energievoorziening. Volgens het rapport zouden energiebedrijven minder geneigd zijn te investeren in nieuwe infrastructuur en nieuwe energiecentrales vanwege de strenge Europese regels, bijvoorbeeld ten aanzien van de uitstoot van broeikasgassen. De toekomst van energiecentrales zou te onzeker worden.
Naast duurzame energiebronnen is een andere voor de hand liggende oplossing het terugdringen van het energieverbruik. De ministers van Energie van de EU-lidstaten hebben in november 2006 afgesproken om te streven naar een energiebesparing van 20% in 2020. Dat zou moeten gebeuren door betere isolatie van gebouwen en het efficiënter maken van apparaten en elektriciteitscentrales. Het doel van 20% besparing is niet hard vastgelegd, dus er zijn geen consequenties voor de lidstaten als ze dat percentage niet halen. Eerder zorgde het Europees Parlement voor meer aandacht voor energiebesparing in de publieke sector. Bij openbare aanbestedingen door overheden moeten offertes behalve op kosten en prestatie tegenwoordig ook worden beoordeeld op energie-efficiëntie. Het Europees Parlement wil dat Europa in het jaar 2020 de meest energie-efficiënte economie in de wereld is. Het EP heeft de Europese Commissie gevraagd met ambitieuze wettelijke maatregelen te komen om de inzet van hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. Ook vroeg het Parlement om een actieplan voor windenergie op zee. De aankoop van auto's met een geringe CO2-uitstoot zou door fiscale maatregelen gestimuleerd moeten worden.
In januari 2007 kwam de Europese Commissie met een richtlijnvoorstel waarin energievoorziening, klimaatverandering en industriële ontwikkeling aan de orde komen. Het voorstel was gericht op een stijging van de energie-efficiency met 20%, een vermindering van broeikasgasemissies met 20%, een aandeel van 20% hernieuwbare energie in het totale energieverbruik van de EU in 2020 en tot slot een aandeel van 10% biobrandstoffen in de vervoersbrandstoffenmix in 2020.
Het voorstel heeft voornamelijk betrekking op drie sectoren: elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer. De Europese Commissie verwacht dat het halen van de doelstellingen zal leiden tot besparingen van 600 tot 900 miljoen ton CO2-emissies per jaar. Hierdoor zal het tempo van de klimaatverandering worden vertraagd. Verder wordt ook verwacht dat het halen van de doelstellingen zal leiden tot een vermindering van het verbruik van fossiele brandstoffen met 200 tot 300 miljoen ton per jaar. Hierdoor wordt de continuïteit van de Europese energievoorziening beter gewaarborgd en worden meer banen gecreëerd.
In maart 2007 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de EU-lidstaten hun goedkeuring gegeven aan het voorstel van de Europese Commissie en dus aan een gezamenlijk energiebeleid voor Europa.
In Nederland is de energiemarkt geliberaliseerd; iedere consument mag zelf bepalen bij welke aanbieder hij stroom afneemt. Een geliberaliseerde markt zorgt voor concurrentie, wat vervolgens weer kan leiden tot lagere prijzen. In 1996 keurde de Raad van de Europese Unie een richtlijn goed voor het liberaliseren van de elektriciteitsmarkt, en in 1998 een voor de aardgasmarkt. In 2007 moeten alle landen aan deze richtlijnen hebben voldaan. Als de concurrentie op de Europese energiemarkt vervolgens goed op gang komt, zal energie doeltreffender gebruikt worden.
Het probleem bij vrije concurrentie dat nog moet worden opgelost is de koppeling van de verschillende gas- en elektriciteitsnetwerken. Om dit te versnellen, geeft de EU op dit moment subsidies voor het aansluiten van netwerken die nog niet goed zijn gekoppeld aan andere Europese elektriciteitsnetwerken. Een ander obstakel is het zorgen voor zekerheid van energielevering aan huishoudens, zodat prijsconcurrentie niet ten koste gaat van de consument.
De Europese Unie treedt nog niet gezamenlijk naar buiten in energievraagstukken. Als de Europese Commissie de bevoegdheid had om als één blok te onderhandelen met energieleveranciers, dan zouden we mogelijk meer zekerheid krijgen in onze leveringen dan nu het geval is. Leveranciers zouden lidstaten onderling niet makkelijk tegen elkaar uit kunnen spelen. Een gezamenlijk energiebeleid zou ook zorgen voor schaalvergroting van energiebesparende en duurzame projecten. Overigens vindt een groot deel van de Europese burgers (47%) dat beslissingen over belangrijke energievraagstukken op Europees niveau zouden moeten worden genomen.
Het Europees Parlement heeft de Commissie in maart 2006 gevraagd om te komen met een ambitieuzer energiebeleid. De Europese Commissie heeft hier gehoor aan gegeven door in januari 2007 met een geïntegreerd voorstel te komen inzake energie en klimaatverandering.
Volgens het EP moet er niet alleen een koppeling van het energiebeleid aan het buitenlandse beleid komen, maar is een systeem voor bemiddeling bij energieconflicten ook noodzakelijk. Tegelijkertijd zouden lidstaten meer solidair ten opzicht van elkaar moeten zijn bij het optreden van storingen in de aanvoer van energie.
Het energievraagstuk van de Europese Unie is één van de belangrijkste problemen van dit moment en de komende jaren. Vooral een gezamenlijk optreden van de Europese landen op de besproken gebieden, geeft een kans tot het veiligstellen van onze energievoorziening in de toekomst. Het Europees Parlement wil dat de EU meer als één blok optreedt tegenover buitenlandse energieleveranciers. In september 2007 heeft het Parlement daarom gepleit voor het instellen van een hoge functionaris voor het buitenlandse energiebeleid, die in onderhandelingen met andere partijen de energiebelangen van de EU als geheel moet beschermen.
Op 5 mei 2010 legde Jerzy Buzek, de voorzitter van het Europees Parlement, samen met voormalig voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors een voorstel op tafel voor een nieuw Europees verdrag dat een Europese Energiegemeenschap moet creëren. In dit voorstel worden concrete maatregelen voorgesteld zoals de creatie van een Europees energie fonds en het vormen van 'kopersgroepen' voor energie. Dit zou de Europese Unie een betere onderhandelingspositie geven in betrekkingen met landen die energie leveren. Volgens hen heeft Europa een gemeenschap nodig die gebruik maakt van geïntegreerde energienetwerken en energielevering uit verschillende landen. Bovendien zien zij een gemeenschappelijke aanschaf van energie als essentieel.
Volgens het rapport zijn er drie manieren om een "Europese energie gemeenschap" te realiseren:
-
-via een nieuw Europees verdrag
-
-via gemeenschappelijke acties
-
-via een pool van landen die op het gebied van energie willen samenwerken en waar landen zich bij aan kunnen sluiten (zoals bij de eurozone).
Het rapport kreeg een vervolg met een gezamenlijke parlementaire vergadering op 7 en 8 juni 2010. Deze vergadering, waar 250 nationale en Europarlementariërs bij aanschoven, concludeerde dat de eerste stap in de richting van een Europese energiegemeenschap de integratie van nationale netwerken is. Concurrentiekracht, duurzaamheid en zekerheid van energievoorziening zijn hierbij sleutelwoorden. Het idee van een Europese Energiegemeenschap blijft echter voorlopig in de kinderschoenen staan.
Het voorstel van Buzek en Delors kreeg een koele ontvangst van Eurocommissaris voor Energie, Günther Oettinger, die benadrukte dat het Verdrag van Lissabon al een artikel heeft over energiegerelateerde zaken. Mocht dit artikel in de praktijk niet voldoen, dan kan het voorstel van Buzek en Delors altijd nog worden besproken. Verder benadrukte Goettinger het subsidiariteitsbeginsel. Besluiten moeten op een zo laag mogelijk niveau worden genomen en er moet alleen een beroep op het Europese niveau worden gedaan wanneer het niet anders kan. Vice-voorzitter Joaquin Almunia was na de gezamenlijke vergadering te spreken over de drie prioriteiten, maar benadrukte het belang van regionale samenwerking.
Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten in de discussie over het energievraagstuk, waarbij bijna altijd wel kanttekeningen te maken zijn. Dat maakt de discussie boeiend, maar een oordeel niet eenvoudiger. Europa is wikken en wegen. Door op de links te klikken krijgt u meer informatie én nuancering.
Tip: Na het lezen van de argumenten kunt u zelf Uw reactie geven.
-
Uitbreiding van de Europese Unie biedt meer zekerheid voor energievoorziening
Door een conflict tussen Rusland en Oekraïne werd de gastoevoer naar grote delen van Europa begin januari 2009 een aantal dagen stopgezet. Zolang Oekraïne geen deel uitmaakt van de Europese Unie, houden we dit risico. In dit kader zou het uitbreiden van de EU richting het Oosten een strategische zet kunnen zijn. Het toetreden tot de EU van de Russische buren Oekraïne en Turkije kan zorgen voor een stabielere onderhandelingspositie. Het is voor Rusland dan moeilijker om de verschillende belanghebbenden tegen elkaar uit te spelen; die treden immers meer als één blok op in deze situatie.
-
Energievoorziening moet zoveel mogelijk op centraal niveau worden geregeld
Bij de Europese energievoorziening zijn diverse organisaties betrokken, op verschillende niveaus. Een aantal daarvan zijn: de gasleveranciers, de lidstaten, regionale organisaties en samenwerkingsverbanden en natuurlijk de EU. Dit leidt tot gedeelde verantwoordelijkheid. Dit draagt altijd het risico met zich mee dat er onduidelijkheid bestaat over wie er precies voor wat verantwoordelijk is, met als resultaat dat er in geval van crisis naar elkaar wordt gewezen. Daarom is het noodzakelijk om deze bevoegdheden bij de EU te leggen en dus te centraliseren.
-
De Europese Unie moet een gezamenlijk energiebeleid voeren om de energiedoelstellingen te behalen
Op dit moment voeren de Europese lidstaten ieder afzonderlijk een buitenlands energiebeleid. Afspraken over energieleveringen en -voorwaarden worden gemaakt op bilateraal niveau (tussen twee landen). Een afnemer heeft meer mogelijkheden om goede leveringsvoorwaarden af te dwingen wanneer de afnamehoeveelheid groter wordt. De Europese Unie is een grootverbruiker van energie. De EU als klant verliezen is dus vervelender dan alleen een land zoals Nederland als klant kwijtraken.
-
Meer duurzame energie is de sleutel in het energievraagstuk én het klimaatprobleem
De olie- en gasvoorraden in de wereld nemen snel af. Veel internationale inspanningen richten zich op het veiligstellen van de leveringen uit die voorraden. Het geld en de organisatie die daarmee gemoeid zijn, zouden beter kunnen worden geïnvesteerd in toekomstvaste energiebronnen. Het onttrekken van gas en olie uit de aarde zal namelijk steeds minder rendabel worden, en het is onvermijdelijk dat duurzame energiebronnen op den duur goedkoper zullen worden dan traditionele energiebronnen.
-
Liberalisatie van de energiemarkt is te gevaarlijk voor de energiezekerheid van de consumenten
De toegenomen concurrentie tussen de energiebedrijven zal leiden tot kostenbesparingen. Enerzijds is dit goed voor de consument, omdat de prijs hierdoor kan zakken. Anderzijds kunnen die besparingen een gevaar zijn voor de energiezekerheid als ze leiden tot bezuinigingen op het onderhoud van het elektriciteitsnetwerk. Concurrentie kan daarom niet helemaal worden vrijgelaten; de overheid moet dan wel maatregelen nemen om de consument te beschermen tegen de gevolgen van prijsconcurrentie.
-
De Europese Unie moet in de dialoog met Rusland andere belangen niet laten wijken vanwege de energiebehoefte
Energie is een belangrijk punt in de dialoog met bijvoorbeeld Rusland. Het is in het belang van Europa dat de dialoog met Rusland op dit punt soepel blijft verlopen. Dit mag volgens veel EU-landen echter niet ten koste gaan van het volgen van een consequente lijn in andere politieke zaken, zoals mensenrechten. Het meest recente voorbeeld van kritiek op de Russische houding ten opzichte van mensenrechten is de moord op de Russische journalist Anna Politovskaya. Naast mensenrechten spelen er ook andere politiek gevoelige zaken, zoals het conflict met Tsjetsjenië en de Russische boycot van Pools vlees.
Het Europees Parlement wil dat de Europese Commissie en de Raad van Ministers financiële steunverlening aan Rusland koppelen aan de ontwikkeling van democratische normen in het land.
-
Europese landen moeten meer kernenergie produceren om aan de energievraag te blijven voldoen
Tenzij we sterk ingrijpen in onze energievoorziening, zal onze energie over enkele tientallen jaren voor 70% van buiten de EU komen. Dat betekent dat steeds meer van onze energie wordt onttrokken uit instabiele gebieden. Bovendien zal de gestegen globale energievraag zorgen voor een wedloop ten aanzien van energiebronnen.
Uw reactie
Door op Uw reactie te klikken kunt u laten weten, wat u van de verschillende argumenten vindt. Ook kunt u natuurlijk andere argumenten aandragen. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.
