Europa Nu

Oprichting van een Europees monetair noodfonds

Het euroteken en het dollarteken op een weegschaal

Tijdens de Eurotop van december 2010 is besloten het Europees Verdrag van Lissabon aan te passen zodat de eurolanden een permanent noodfonds voor de euro kunnen instellen. De wijziging van het verdrag moet de onderlinge financiële hulp van EU-lidstaten in de eurozone mogelijk maken. Op 2 februari 2012 hebben vertegenwoordigers van de 17 eurolanden hun handtekening gezet onder het verdrag voor het European Stability Mechanism (ESM).

In 2010 werd al een tijdelijk noodfonds opgericht om eurolanden in financiële problemen bij te staan en de stabiliteit van de euro te waarborgen: de European Financial Stability Facility (EFSF). Dit fonds loopt tot 2013. In december 2010 werd een overeenkomst bereikt over een opvolger van het tijdelijke EFSF. Het permanente European Stability Mechanism (ESM) moet vanaf juli 2012 voorkomen dat landen met financiële problemen de euro verzwakken. De hulp kan volgens de nieuwe afspraken alleen worden toegepast als dat onontbeerlijk is voor de stabiliteit van de hele eurozone. Alle vereiste hulp wordt verbonden aan strikte voorwaarden.

Inhoud

1.

Achtergrond

De Europese Commissie lanceerde in maart 2010 plannen om een fonds op te richten voor landen in de eurozone, om de stabiliteit te bewaken en landen in financiële problemen te hulp te schieten: een Europees Monetair Fonds (EMF). De Commissie kwam met het plan naar aanleiding van de wereldwijde financiële crisis en de financiële problemen in Griekenland

Het idee voor een Europees Monetair Fonds was niet nieuw, maar de wereldwijde financiële crisis heeft voor veel problemen gezorgd in de eurolanden en was een directe oorzaak van de hernieuwde plannen. In Griekenland bijvoorbeeld waren zulke ernstige tekorten ontstaan dat het land moeite had om aan financiële afspraken te voldoen. De Commissie en de eurolanden wilden dat een Europees Monetair Fonds zou ingrijpen bij dergelijke ongeregeldheden, om de stabiliteit van de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) in stand te houden.

Het begrotingsbeleid van de EMU zou door het fonds beter gecontroleerd en in goede banen geleid kunnen worden. Door financiële problemen van eurolanden, zoals betalingsachterstanden en grote overheidstekorten, was de waarde van de euro gedaald en de samenwerking tussen de eurolanden verstoord. Het Stabiliteits- en groeipact stelde weliswaar eisen aan de overheidsfinanciën van de EU-landen, maar er was geen fonds dat controleerde en kon ingrijpen.

Voor de Commissie en de eurolanden was het van belang dat het fonds niet alleen zou worden opgezet om Griekenland snel uit de problemen te helpen. De Duitse bondskanselier Angela Merkel gaf aan dat het EMF niet de indruk mag wekken dat lidstaten zich niet aan het Stabiliteits- en groeipact hoeven te houden. Met name de noodlijdende eurolanden die (buiten hun schuld) de wereldwijde recessie en financiële problemen niet het hoofd kunnen bieden, zouden bij het EMF terecht moeten kunnen.

2.

Een Europees IMF?

Het idee voor het EMF was grotendeels gebaseerd op de opzet en werking van het International Monetair Fonds. Dit fonds, waar 186 landen bij aangesloten zijn, houdt de financiële situatie van lidstaten in de gaten, wijst deze op de risico’s en biedt leningen aan om toekomstige betalingsmoeilijkheden en tekorten tegen te gaan.

Het verschil tussen het IMF en het plan voor een Europees Monetair Fonds was, dat de laatste alleen binnen de eurozone actief zou moeten zijn.  Op deze manier staat de stabiliteit van de euro centraal. Daarnaast verstrekt het IMF voornamelijk leningen aan landen die volledig zonder krediet zitten, terwijl het EMF ook minder noodlijdende landen bij zou moeten staan.

In de EU bestond grote weerstand tegen het plan om Griekenland steun te laten vragen aan het IMF. Ten eerste wilde de EU niet het signaal afgeven dat het de eigen financiële problemen niet op kon lossen. Daarnaast wilden Europese en nationale leiders geen zeggenschap over overheidsfinanciën en de waarde van de euro overdragen aan het IMF. Als Griekenland een lening zou vragen aan het IMF, zou het fonds namelijk grote zeggenschap over de overheidsfinanciën van het land krijgen. Een EMF was een mogelijke oplossing voor deze nadelen.

In de uiteindelijke overeenkomst van juni 2011 is vastgelegd dat het ESM zeer nauw gaat samenwerken met het IMF, zowel op technisch als op financieel gebied. Schuldhoudbaarheidsanalyses zullen worden uitgevoerd door de Europese Commissie en het IMF, in samenwerking met de ECB. Het ESM krijgt, net als het IMF, de status van preferente crediteur, hetgeen inhoudt dat het ESM als schuldeiser voorrang heeft boven overige schuldeisers. Het IMF houdt echter voorrang boven het ESM.

3.

Een Europese economische regering?

Een andere mogelijkheid was het opzetten van een economische regering voor de eurozone. Voorstanders voor deze optie waren Spanje, Italië en Frankrijk. De Duitse bondskanselier Merkel was echter van mening dat economische besluitvorming een zaak is van alle 27 lidstaten en dat er dus geen scheiding moest komen tussen de eurolanden en de rest. Dit zou namelijk een scheiding in de interne markt betekenen. Na een vergadering met Merkel in juni 2010 liet de Franse president Sarkozy zijn steun voor een economische regering voor de eurozone vallen.

De Europese Commissie en het Europees Parlement hebben in mei 2011 een pakket maatregelen gepresenteerd om het Europees toezicht op de nationale economieën te versterken. Deze maatregelen houden onder andere in: versterking van het Stabiliteits- en groeipact, meer transparantie bij de lidstaten en de mogelijkheid tot het opleggen van sancties door de Commissie.

4.

ECB

De Europese Centrale Bank (ECB) was in maart 2010 niet eensgezind in haar mening over een EMF. Toenmalig ECB-bestuurslid Jurgen Stark gaf aan dat een fonds zou leiden tot nog ruimhartigere uitgaven van de lidstaten. Volgens Stark waren er hardere maatregelen binnen het Stabiliteits- en groeipact nodig, in plaats van een nieuw fonds. Toenmalig ECB-bestuurslid en president van de Duitse Centrale Bank, Axel Weber, gaf aan dat een nieuw fonds weinig zin zou hebben als de bestaande regels ook gewoon worden genegeerd. Bovendien stelde hij dat het niet duidelijk was welke functie het EMF precies zou vervullen. Hoewel het ECB het monetair beleid van de EU bepaalt, en geen leningen kan verschaffen zoals voor het EMF de bedoeling was, was Weber bang dat het EMF de werkzaamheden van het ECB zou kunnen doorkruisen.

Jean-Claude Trichet, de voormalige president van de Europese Centrale Bank, zag een toekomst voor het EMF positiever in. Wel gaf hij in maart 2010 aan niets te zien in een noodfonds om Griekenland per direct te kunnen helpen, maar alleen als een oplossing om problemen in de toekomst te vermijden.

5.

Een tijdelijk fonds: European Financial Stability Facility

Op 7 juni 2010 bereikten de ministers van financiën van de eurolanden een akkoord over een noodfonds voor eurolanden. Ze kondigden een noodpakket van 750 miljard euro aan om de afname van het vertrouwen in de euro te stoppen. Dat pakket bestond uit een bijdrage van 250 miljard van het IMF, 60 miljard van de Europese Commissie en een garantie van 440 miljard euro van de EU-lidstaten via het nieuwe noodfonds.

Dat fonds, de European Financial Stability Facility (EFSF), moet de eurolanden ondersteunen wanneer hun kredietwaardigheid zo ver afneemt dat ze niet meer kunnen lenen op de financiële markten. Wanneer een lidstaat een lening wil krijgen, moet het land voldoen aan strenge voorwaarden. Bovendien kunnen regeringen verplicht worden hervormingen door te voeren. Op 15 juli 2010 heeft Slowakije als laatste EU-land goedkeuring gegeven aan het akkoord voor het noodfonds. Hierdoor kon het in werking treden.

Wegens de financieringsproblemen van Ierland en Portugal eind november 2010 en de vrees dat ook Spanje getroffen zou worden, gaven diverse toonaangevende instanties als het IMF en de ECB  aan dat een groter fonds wenselijk was. Minister Jan Kees de Jager van Financiën vond een verhoging van het noodfonds voorbarig, omdat op dat moment nog op geen tiende van het fonds beroep was gedaan. Ook in de zomer van 2011, toen de vrees toenam dat Spanje en ook Italië de volgende slachtoffers van de crisis zouden worden, liet De Jager weten dat hij een verhoging onverstandig zou vinden. Volgens velen werd op dat moment wel informeel overleg gevoerd tussen hoge ambtenaren van eurolanden.

Ondanks bedenkingen bij sommige landen uit de eurozone tegen een vergroting van het noodfonds hebben alle landen ingestemd met een vergroting van het noodfonds. Nadat Duitsland eind september ook voor de uitbreiding van het noodfonds stemde, sprak Jean-Claude Juncker, voorzitter van de eurogroep, de verwachting uit dat ratificatie van het plan door de eurolanden medio oktober in de volledige eurozone een feit zal zijn. In Nederland keurde de Tweede Kamer op 6 oktober 2011 een uitbreiding van het noodfonds goed. Op 13 oktober 2011 stemde Slowakije als laatste land in met de uitbreiding van het noodfonds.  

In december 2011 werd door de Europese lidstaten afgesproken om de slagkracht van het fonds te vergroten door het afgeven van garanties. Er hoeft zo niet daadwerkelijk meer geld in het fonds gestoken te worden.

Extra mogelijkheden om geld aan te trekken

Door ontwikkelingen op de financiële markten ontstond er onzekerheid of de 440 miljard aan garanties van de lidstaten in het EFSF wel genoeg was. Er is al voor ruim 200 miljard aan leningen uit het fonds verstrekt. Op de Europese top van 26 op 27 oktober is besloten om twee extra mogelijkheden te creëren voor het fonds om geld aan te trekken.

De eerste manier is dat het EFSF voor een deel garant gaat staan voor staatsleningen van landen die in de problemen zitten. Op die manier is het risico voor een belegger voor een deel afgewenteld op het noodfonds, wat de staatsleningen veel aantrekkelijker maakt: de landen betalen door die garanties een lagere rente op de leningen, wat de financiële druk op die landen verlicht.

De tweede manier is het oprichten van zogenaamde "Special Purpose Vehicles" waar geld van particuliere beleggers en overheidsinstellingen in wordt gebundeld. Die "Special Purpose Vehicles" kunnen vervolgens geld lenen aan landen in de problemen.

De verwachting was dat door deze constructies het effect van het fonds verviervoudigd zou worden, maar eind november werd duidelijk dat dit hooguit een verdrievoudiging zou zijn. Hierdoor zal het noodfonds te beperkt zijn als grote landen zoals Italië of Spanje in de problemen komen.

Om toch de slagkracht van het EFSF te vergroten besloten de ministers van financiën van de eurozone op 29 november het IMF om hulp te roepen. De lidstaten daarvan, binnen en buiten Europa, zullen extra geld in het IMF moeten steken zodat met dit geld landen met schuldproblemen kunnen worden geholpen. Grote niet-Europese IMF-leden zoals China en India hebben zich al bereid verklaard om extra geld in het IMF te steken, op voorwaarde dat de eurolanden ook een extra bijdrage leveren. 

6.

Een permanent noodfonds: European Stability Mechanism

De ministers van Financiën van de eurolanden kwamen eind november 2010 overeen dat een European Stability Mechanism (ESM) wordt opgericht. Voor de oprichting hiervan is een wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie nodig.

In maart 2011 kwamen de regeringsleiders van de EU tot een akkoord voor oprichting van het European Stability Mechanism. De verdere details werden vervolgens op 20 juni vastgelegd door de EU-ministers van Financiën. Het nieuwe noodfonds zal bestaan uit direct gestort geld en kredietgaranties ter waarde van in totaal 500 miljard euro. Het IMF zal 250 miljard euro ter beschikking stellen. Hulp uit het fonds wordt aan strikte eisen gebonden: landen die een lening ontvangen moeten op korte termijn hun financiën weer op orde krijgen.

In december 2011 besloten de lidstaten dat het permanente fonds een jaar eerder ingevoerd zal worden, in juli 2012. Dit betekent dat het ESM een jaar lang tegelijk met het EFSF zal bestaan.

In maart 2012 maakten de ministers van financiën van de zeventien eurolanden bekend dat het financiële vangnet voor in problemen geraakte eurolanden 1000 miljard dollar (800 miljard euro) bedraagt. Dit bedrag bestaat uit de al eerder vastgestelde capaciteit van het ESM (500 miljard euro) en de al uitgekeerde gelden aan Griekenland, Ierland en Portugal (circa 300 miljard euro).  

7.

Aanpassen Verdrag van de Europese Unie

Met de oprichting van de Europese Monetaire Unie, in het Verdrag van Maastricht (1992), is geregeld dat EU-lidstaten geen plicht hebben tot wederzijdse financiële steun, de zogenoemde ‘no bail out’-clausule. Dit betekent dat lidstaten niet verplicht waren om bijvoorbeeld Griekenland of Ierland hulp te bieden. Om het Europees Monetair Fonds op te kunnen richten zou een wijziging van het EU-Verdrag nodig zijn.

Tijdens de EU-top in december 2010 hebben de Europese regeringsleiders het besluit om het Verdrag te wijzigen, bevestigd. Om vertraging te voorkomen is gekozen voor een formulering waarmee de Europese verdragen met een versimpelde en snellere procedure gewijzigd kunnen worden, in plaats van de normale, zware procedure. Zo hopen de regeringsleiders ook dat er geen referenda gehouden hoeven worden in de lidstaten, met alle risico's dat de voorgestelde wijziging zou worden weggestemd.

In februari 2011 ging de Europese Commissie akkoord met een aanvulling op artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking voor de Europese Unie met de volgende twee zinnen: ,,De lidstaten die de euro als munt hebben, stellen een stabiliteitsmechanisme in dat moet worden geactiveerd indien dat onontbeerlijk is om de stabiliteit van de eurozone in haar geheel te waarborgen. De verlening van financiële steun, indien vereist, uit hoofde van het mechanisme zal aan stringente voorwaarden gebonden zijn"

In maart stemde het Europees Parlement in met de wijziging.

8.

Discussie over invoering euro-obligaties

De Europese Centrale Bank heeft in augustus 2011 Spaanse en Italiaanse obligaties opgekocht. Ook zijn er kleine aankopen van Portugees en Iers staatspapier gedaan. Deze aankopen hebben sterk verzet uitgelokt van economen en centralebankpresidenten uit Duitsland en de Benelux. Ze stellen dat dit een enorm kredietrisico oplevert omdat de kans bestaat dat de ECB zal moeten afschrijven op de obligaties. Het verlies zal door de lidstaten betaald moeten worden. Ook zouden de aankopen een gevaar vormen voor de onafhankelijkheid van de ECB.

Sinds september bekijkt de Europese Commissie ook de mogelijkheid om euro-obligaties in te voeren in de strijd tegen de financiële problemen in diverse Europese landen. Euro-obligaties zijn obligaties (bewijzen van eigendom van een deel van de schuld van een land) die worden uitgegeven door de hele eurozone. Schulden worden zo collectief verrekend. Voorstanders stellen dat euro-obligaties een uitkomst zijn voor landen met een torenhoge schuld, omdat die nu hogere rente moeten betalen voor hun obligaties. Ook zouden deze landen helpen zich te houden aan de afspraken in het Stabiliteits- en Groeipact. Nout Wellink, destijds president van de Nederlandse bank, stelde dat betere landen juist een hogere rente zouden moeten gaan betalen. Hij noemde euro-obligaties 'een verhulde manier van lastenverdeling'.

9.

Argumenten in de discussie

Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten, waarbij bijna altijd wel kanttekeningen te maken zijn. Dat maakt een oordeel niet eenvoudig. Europa is wikken en wegen.

Tip: na het lezen van de argumenten kunt U zelf Uw reactie geven.

  • Er is al een Internationaal Monetair Fonds

    Volgens de Duitse minister van Financiën is het van belang de EU geen concurrent van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) opzet. De EU heeft volgens hem een instituut nodig dat toeziet op het evenwicht binnen de eurozone en dat vergelijkbare instrumenten heeft om in te grijpen.

  • Het plan is strijdig met EU-regels

    In het Europese Verdrag van Maastricht is geregeld dat EU-lidstaten geen plicht hebben tot wederzijdse financiële steun, de zogenoemde ‘no bail out’-clausule, die met name door Duitsland zorgvuldig wordt gekoesterd. Een eigen monetair fonds zou Europa volgens bondkanselier Angela Merkel ''zonder juridische problemen' soelaas bieden, maar is volgens haar alleen mogelijk als het Europees Verdrag wordt opengebroken

  • Het plan is nadelig voor landen met een solide begroting en stimuleert ruimhartige uitgaven

    Het is de vraag hoe het fonds aan geld moet komen. Het gevaar bestaat dat lidstaten hun belastingen moeten verhogen, om met de inkomsten daarvan het EMF van geld te voorzien. Griekenland bijvoorbeeld, waarvan de problemen zijn ontstaan door te grote uitgaven en leugens over begrotingscijfers, wordt nu gered door sterkere landen die niets met de problemen te maken hebben, maar het wel merken in de eigen financiële situatie. Voormalig bestuurslid Jurgen Stark van de Europese Centrale Bank was er daarom tegen: “Dat zou erg duur worden, de verkeerde impulsen geven en ten laste komen van de landen met een deugdelijke begroting''

  • Een Europese Monetaire Unie heeft een monetair fonds nodig

    Hoogleraar internationale economische betrekkingen Luc Soete vindt dat een monetaire unie niet zonder fonds kan dat kan ingrijpen als de landen zich niet aan de afspraken houden. Volgens Soete is men vergeten dit in de Europese Monetaire Unie in te bouwen toen deze door het Verdrag van Maastricht werd opgericht. De EMU heeft nu geen fonds dat werkt in de eurozone. “Doe je het niet, dan geef je die invloed aan het IMF.”

  • Deze crisistijd vraagt om een Europees Monetair Fonds

    De situatie die nu is ontstaan, met de val van de euro en de druk op landen als Duitsland om de Grieken financieel te steunen, toont aan dat het Europees instrumentarium niet afdoende is om hiermee om te gaan. Er zijn momenteel wel afspraken over de maximale hoogte van overheidstekorten en staatsschulden, maar er is niemand die de gegevens controleert, kan ingrijpen of ondersteuning kan verlenen bij dreigende problemen.

10.

Meer informatie